Turfpleit

Noord-Brabantse turfpleit

In de 13de eeuw waren Gent, Brugge en Antwerpen al grote steden en hadden een nijpend tekort aan brandstof, omdat er al zoveel bos was gekapt voor brandhout, dat er een kapverbod werd ingesteld. Vlaamse kooplieden en moerneerders kregen toestemming van de West-Brabants grootgrondbezitters, zoals de Heer van Breda, de Heer van Bergen op Zoom, de Abdijen van Tongerlo, Hemiksem (Bornem) en Middelburg, om het toen nog aanwezige dikke veenpakket in West-Brabant en de Noorderkempen af te graven. Het was een belangrijke stap in de ontwikkeling van dit toen dunbevolkte, zeer moerassige gebied. De turfwinning had destijds voor Brabant en Holland dezelfde betekenis als het aardgas bij Slochteren voor Nederland. Turfnering was in die tijd een grote bedrijvigheid in West-Brabant en in de Belgische gemeente Wuustwezel, Kalmthout en Essen. Door de turfwinning ontstonden nederzettingen, die uitgroeiden tot dorpen zoals Schijf en Zegge. De turfnering lokte veel ambachtslieden en kooplieden naar ons gewest. Plaatsen als Roosendaal, Breda, Bergen op Zoom, Steenbergen en Zevenbergen werden welvarend door de turfhandel. Vanaf 1700 kwam aan de grootschalige turfwinning uit hoogveen in West-Brabant en Noorderkempen geleidelijk een einde. Turfvaarten verdwenen of kregen een andere functie. Afgegraven veengronden werden landbouwgronden, woeste gronden, of werden beplant met bomen. Het werden daardoor bossen of landgoederen zoals de Wouwse Plantage. Nog steeds, na zoveel jaren, zijn veel sporen van de turfwinning zichtbaar in het landschap, zoals turfvaarten, moerputten, een restant van een aquaduct, namen van dorpen, namen van wegen en paden. Hele wijken in West Brabantse plaatsen hebben namen, die allen verwijzen naar het historisch belangrijke turfverleden van dit gebied.

Pleyten trekken: Turfschuiten waren smalle platbodems (pleyten), die geschikt waren om door de nauwe turfvaarten getrokken te worden. Waarschijnlijk gingen er 40.000 turfjes op een pleyt, die door mensen werd voortgetrokken.